De Directie Wieringermeer (Noordoostpolderwerken) gaf vroeger excursiegidsen uit. Voor hen die bijvoorbeeld de polderwerken wilden bezoeken. Ook voor de Wieringermeer is een serie geweest. Tijdens de oorlogsjaren heeft de productie stil gelegen. In 1947 kwam het eerste exemplaar ‘Noordoostpolder’ uit.
Ik (portal.emmeloord.info) heb de serie:
1937
1947
1948
1949
1949 (aanvulling)
1950 (aanvulling op 1949)
1951
1952 (10 jaren)
1953 (De Noordoostpolder in beeld)
1955
1956
Excursiegids 1947
Prijs 30 cent
INLEIDING.
Ter inleiding van dezen gids willen wij enkele woorden richten tot onze lezers, waaronder er ongetwijfeld zullen zijn, die zich de jaarlijksche gidsen voor onzen eersten Zuiderzeepolder, de Wieringermeer, herinneren. Het behoeft geen commentaar, waarom na 1940 de publicatie van deze excursiegidsen werd stopgezet. De herinnering aan de bezettingsjaren spreekt in dezen voldoende. Het verheugt ons U thans onze eerste na-oorlogsche uitgave van den excursiegids te kunnen aanbieden, nu echter niet voor de Wieringermeer, doch voor den Noordoostpolder, onzen tweeden Zuiderzeepolder. Aangezien de bemoeiingen van de Directie van de Wieringer-meer met de Wieringermeer in 1941 afliepen, werd de Direc-tie van Alkmaar overgeplaatst naar Zwolle, waar zij zich voor een nieuwe, uitgebreidere opgave zag gesteld, t. w. het in cultuur brengen en de kolonisatie van den Noordoostpolder, een gebied met een oppervlakte van bijna 2.5 maal zoo groot als die van de Wieringermeer. Het is nu de bedoeling van dezen gids U een globalen indruk te geven van de vele factoren, die bij de ontginning en den sociaal-economischen opbouw van dezen nieuwen polder een rol spelen. Voor diegenen, die zich interesseeren voor een meer uitge-breide lectuur over dit onderwerp, wordt op blz. 41 een beknopt overzicht van enkele werken van recenten datum gegeven.
REISGELEGENHEID
Aan diegenen, die op eigen gelegenheid naar den polder willen komen, wordt medegedeeld, dat voor het vervoer per autobus geen gebruik van de route via Kampen-Ramspol kan worden gemaakt. Voor hen, die niet over een eigen vervoermiddel beschikken, volgt hieronder een overzicht van de thans bestaande auto-busdiensten naar den polder vanuit Kampen, Lemmer, Meppel, Wolvega en Zwolle. Aangezien het met het oog op mogelijke wijzigingen niet gewenscht wordt geacht de dienstregelingen te publiceeren, worden de adressen der exploitanten vermeld, teneinde het belangstellenden mogelijk te maken, zich van nadere bijzon-derheden op de hoogte te stellen.
Kampen-Emmeloord v.v. Deze dienst wordt verzorgd door de N.V. Autobusdienst-Onderneming,,Salland”, Gieterijstraat 42, Deventer. Tel. 4917 (K 6700). De trajecten
Zwolle Vollenhove-Blokzijl-Oldemarkt v.v.,
Meppel-Vollenhove-Marknesse-Emmeloord v.v. en
Meppel-Zwartsluis-Blokzijl v.v. worden gereden door de N.V. Vervoermaatschappij De Noord-Westhoek”, Zwartsluis. Tel. 221 (K 5208), terwijl de diensten
Lemmer Schoterbrug-Luttelgeest-Emmeloord v.v.
Wolvega-Kuinre-Emmeloord v.v.worden onderhouden door het Autobedrijf De Zuidwesthoek”, Balk. Tel. 15.
GELEIDE. De Directie van den Noordoostpolder is gaarne bereid, voor zooveel mogelijk voor deskundig geleide te zorgen, teneinde excursisten te garandeeren, dat zij op hun uitstapje door den polder goed worden voorgelicht. Dit geleide kan evenwel uitsluitend aan gezelschappen en alleen op schriftelijke aanvrage (ten minste 14 dagen te voren) worden verstrekt. Daar het aantal geleiders beperkt is, is het gewenscht enkele data op te geven. Tevens dient zoo mogelijk te worden vermeld, waarnaar de belangstelling der bezoekers in het bijzonder uitgaat, opdat daarmede bij het bepalen van de route door den polder rekening kan worden gehouden. De excursies zullen beginnen met een samenkomst in het kantoor van het Kampbeheer te Marknesse, waar de noodige aanwijzingen zullen worden verstrekt. Verzoeken om geleide dienen te worden gericht aan de Directie van den Noordoostpolder, Postbus 56 te Zwolle. Op Zondag kan geen geleide beschikbaar worden gesteld, terwijl op Zaterdag slechts in beperkte mate geleide beschikbaar is.
REISGELEGENHEID
Aan diegenen, die op eigen gelegenheid naar den polder willen komen, wordt medegedeeld, dat voor het vervoer per autobus geen gebruik van de route via Kampen-Ramspol kan worden gemaakt. Voor hen, die niet over een eigen vervoermiddel beschikken, volgt hieronder een overzicht van de thans bestaande auto-busdiensten naar den polder vanuit Kampen, Lemmer, Meppel, Wolvega en Zwolle. Aangezien het met het oog op mogelijke wijzigingen niet gewenscht wordt geacht de dienstregelingen te publiceeren, worden de adressen der exploitanten vermeld, teneinde het belangstellenden mogelijk te maken, zich van nadere bijzon-derheden op de hoogte te stellen.
Kampen-Emmeloord v.v. Deze dienst wordt verzorgd door de N.V. Autobusdienst-Onderneming,,Salland”, Gieterijstraat 42, Deventer. Tel. 4917 (K 6700). De trajecten
Zwolle Vollenhove-Blokzijl-Oldemarkt v.v.,
Meppel-Vollenhove-Marknesse-Emmeloord v.v. en
Meppel-Zwartsluis-Blokzijl v.v. worden gereden door de N.V. Vervoermaatschappij De Noord-Westhoek”, Zwartsluis. Tel. 221 (K 5208), terwijl de diensten
Lemmer Schoterbrug-Luttelgeest-Emmeloord v.v.
Wolvega-Kuinre-Emmeloord v.v.worden onderhouden door het Autobedrijf De Zuidwesthoek”, Balk. Tel. 15.
Het idee om de Zuiderzee af te sluiten en delen droog te leggen, ontstond niet zomaar. Al tientallen jaren eerder waren er plannen gemaakt door onder anderen A. Buma, P.J.G. van Diggelen en de civiel ingenieur Cornelis Lely.
De Zuiderzeevereniging
Om orde te scheppen in de vele ideeën werd in 1886 de Zuiderzeevereniging opgericht. De vereniging wilde onderzoeken of het technisch én financieel haalbaar was om de Zuiderzee af te sluiten en delen van de Zuiderzee, de Waddenzee en de Lauwerszee droog te leggen.
Voor dit onderzoek kreeg de Delftse ingenieur Cornelis Lely de leiding. Hij verdeelde het omvangrijke project in drie afzonderlijke onderdelen:
de werkzaamheden in het Waddengebied;
de inpoldering van de Lauwerszee;
de afsluiting van de Zuiderzee tussen Noord-Holland en Friesland.
Het plan van Lely
In 1891 presenteerde Lely zijn beroemde plan. Dat richtte zich op de afsluiting van de Zuiderzee en vormde tegelijkertijd de basis voor de aanleg van vier polders.
Datzelfde jaar werd Lely minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Hij stelde in 1892 een staatscommissie in die zijn plannen grondig onderzocht. Twee jaar later verscheen het eindrapport. Toch gebeurde er nog niets. Door de val van het kabinet-Tak van Poortvliet moest ook Lely vertrekken en verdween het plan voorlopig van tafel.
Toen Lely in 1897 opnieuw minister werd, diende hij in 1901 een wetsvoorstel in voor de aanleg van een afsluitdijk en de twee kleinste polders. Ook dit voorstel haalde het niet, omdat het kabinet na de verkiezingen niet terugkeerde. Het wetsvoorstel werd ingetrokken.
In 1907 kwam minister J. Kraus met een beperkter plan om alleen de Wieringermeer droog te leggen. Maar toen Lely in 1913 voor de derde keer minister werd, trok hij ook dit voorstel weer in. Hij wilde een veel uitgebreider plan indienen voor de volledige afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee.
Datzelfde jaar sprak koningin Wilhelmina in de Troonrede de veelzeggende woorden:
“Ik acht de tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen.”
De storm van 1916
De doorbraak kwam na de zware storm van 13 en 14 januari 1916. Grote delen van Noord-Holland kwamen onder water te staan. De Anna Paulownapolder overstroomde en ook Waterland werd zwaar getroffen.
Deze watersnood maakte duidelijk hoe kwetsbaar Nederland was. De ramp zorgde voor veel publiciteit en overtuigde ook de laatste twijfelaars van de noodzaak om de Zuiderzee af te sluiten.
De Zuiderzeewet
In september 1916 lag een voorlopig wetsontwerp klaar. Op 21 maart 1918 behandelde de Tweede Kamer het definitieve wetsvoorstel. De Eerste Kamer stemde op 13 juni 1918 in.
Een dag later, op 14 juni 1918, verscheen de ‘Wet tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee’ in het Staatsblad. Daarmee was de Zuiderzeewet een feit en kon worden begonnen aan een van de grootste waterbouwkundige projecten uit de Nederlandse geschiedenis.
Op 14 juni 1918 werd de Wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee (Zuiderzeewet) van kracht. De wet bepaalde slechts dat de Zuiderzee zou worden afgesloten door een Afsluitdijk . Op een later tijdstip zou de regering bepalen welke gedeelten van de Zuiderzee zouden worden ingepolderd en in welke volgorde.
(Zuiderzeewerken).
1927 Proefpolder Andijk (40 ha)
1930 Wieringermeer (20 000 ha)
1932 Afsluitdijk
1942 Noordoostpolder (48 000 ha)
1957 Oostelijk Flevoland (54 000 ha)
1968 Zuidelijk Flevoland (43 000 ha)
In 1976 waren ook de dijken klaar die voor inpoldering van de Markerwaardnodig waren. Inmiddels waren de inzichten dusdanig gewijzigd dat dit deel van het plan niet is uitgevoerd. In 2003 werd door de regering besloten dat de Markerwaard niet zou worden drooggelegd.
De Zuiderzeesteunwet
De afsluiting van de Zuiderzee had grote gevolgen voor iedereen die afhankelijk was van de visserij. Om deze mensen te ondersteunen, werd de Zuiderzeesteunwet ingevoerd.
De wet gold voor iedereen die op 25 juli 1918 zijn belangrijkste inkomen verdiende met de visserij op de Zuiderzee. Dat waren niet alleen vissers en wiervissers. Ook mensen die indirect van de visserij leefden, konden aanspraak maken op de regeling.
In totaal werden 27 beroepen genoemd. Naast Zuiderzeevissers ging het bijvoorbeeld om mastenmakers, zeilmakers, nettenbreiers, taanders, visrokers en viszouters. Zelfs beroepen als smid, loodgieter en eendenhouder vielen onder de regeling, omdat ook zij afhankelijk waren van de visserij.
Wie als belanghebbende werd erkend, kon gebruikmaken van verschillende vormen van ondersteuning.
Onderwijs en omscholing
Mensen konden een vergoeding krijgen voor de kosten van een vakopleiding of beroepsonderwijs. Wanneer zij tijdens de opleiding inkomsten misliepen, kon daarnaast tijdelijk een financiële toelage worden verstrekt.
Hulp bij het vinden van ander werk
De overheid hielp bij het vinden van een nieuwe baan of bij het verplaatsen of omvormen van een bestaand bedrijf. Ook noodzakelijke kosten werden vergoed, zoals reis- en verhuiskosten, gereedschap en zelfs nieuwe kleding. Visserijkleding was immers niet altijd geschikt voor een andere werkomgeving.
Wie elders aan het werk ging, kon bovendien gedurende maximaal zes weken een aanvulling op het loon ontvangen om de overstap gemakkelijker te maken.
Vergoeding voor waardevermindering
Vanaf 1931 konden gedupeerden ook een vergoeding krijgen voor de waardedaling van hun eigendommen. Daarbij werd gekeken naar het verschil tussen de waarde die bijvoorbeeld een vissersboot, visnetten of bedrijfsgebouwen zouden hebben gehad zonder de afsluiting van de Zuiderzee en de werkelijke waarde na de afsluiting.
Kredieten voor een nieuwe toekomst
Ondernemers konden een lening krijgen om hun bedrijf voort te zetten, te verplaatsen of een andere richting te geven.
Voorrang bij visvergunningen
Vissers die onder de Zuiderzeesteunwet vielen, kregen voorrang bij het verstrekken van vergunningen om te vissen op het afgesloten deel van de Zuiderzee.
Aanvulling op het inkomen
Wanneer de afsluiting leidde tot inkomensverlies, kon een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De hoogte daarvan was gebaseerd op de vastgestelde inkomensderving, waarbij eventuele andere inkomsten in mindering werden gebracht.
Uitvoering van de wet
Vanaf 1925 werd de Zuiderzeesteunwet uitgevoerd door een Generale Commissie. In 1932 werd hiervoor een aparte overheidsdienst opgericht: de Rijksdienst ter uitvoering van de Zuiderzeesteunwet.
(bron: artikel Omroep Flevoland over Cees Banning)
Het jaar 2018 staat in het teken van de honderdste verjaardag van de Zuiderzeewet. Maar de plannen voor de Afsluitdijk en de inpoldering van grote delen van de voormalige Zuiderzee zijn al veel ouder. Ze dateren van het einde van de negentiende eeuw. Dat blijkt uit een boek over Cornelis Lely, de waterbouwkundige en politicus die de geestelijke vader van de Zuiderzeewerken is.
De biografie is geschreven door journalist-schrijver Cees Banning met medewerking van Lelystedeling en Lely-expert Ed Voigt.
Amsterdam Het boek gaat vooral over de persoon Lely. Hoe hij in zijn geboortestad Amsterdam opgroeide in een doopsgezind milieu, over zijn studie in Delft, zijn loopbaan als ingenieur, zijn rol in de landelijke politiek en zijn privé-leven. Daarbij krijgt ook de politieke en maatschappelijke context van het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ruime aandacht.
Zuiderzeevereniging Een van zijn eerste banen als waterbouwkundige was die van onderzoeker bij de Zuiderzeevereniging, een gezelschap dat we nu een lobbyclub zouden noemen. De vereniging pleitte voor afsluiting van de Zuiderzee en landaanwinning.
Lely maakte in die functie ontwerpen voor gedeeltelijke inpoldering en een dijk van het toenmalige eiland Wieringen naar Friesland. De plannen vertonen opmerkelijke gelijkenissen met het resultaat vele decennia later. Het schrappen van de Markerwaard is de grootste afwijking.
Den Haag Het zou een jaar of twintig duren voordat politiek Den Haag zover was om tot het project te besluiten. Er waren bedenkingen, ondanks een advies van een staatscommissie, die in grote meerderheid de plannen omarmde. In het bijzonder de confessionele partijen voelden er weinig voor en er waren twijfels over de financiële haalbaarheid.
Carrièreswitch Cornelis Lely maakte op 36 jarige leeftijd een carrièreswitch: in 1891 werd hij de jongste minister in het kabinet Van Tienhoven. Lely was lid van de Liberale Unie, een voorloper van de VVD.
Rond de eeuwwisseling volgde een intermezzo als gouverneur in Suriname. In 1913 werd Lely opnieuw minister, nu in het kabinet Cort van der Linden. Het was het kabinet dat het neutrale Nederland door de Eerste Wereldoorlog moest leiden. Maar de regering kreeg ook te maken met een natuurramp, de watersnood van 1916. Een stormvloed veroorzaakte dijkdoorbraken aan de Zuiderzeekust van Noord-Holland, Gelderland en Friesland. Het zou het laatste zetje zijn dat nodig was om de Afsluitdijk aan te leggen en het Wieringermeer en delen van het IJsselmeer in te polderen. Donderdag honderd jaar geleden, op 14 juni 1918, stemde de Eerste Kamer in met de Zuiderzeewet.
Gelijkmatig leven Banning beschrijf Lely als een man die zich niet te buiten ging aan frivoliteiten. Hij leidde een gelijkmatig leven en liep zelfs in een bouwput in een driedelig pak. Zijn persoonlijke leven wordt vooral getekend door zijn verdriet over het overlijden van een van zijn kinderen en de plotselinge dood van zijn vrouw Mies in 1914.
Lely heeft geen enkel onderdeel van zijn plan gerealiseerd zien worden. Toen hij in januari 1929 op 74-jarige leeftijd overleed, was zes kilometer van de Afsluitdijk gereed. En de Wieringermeerpolder zou een jaar later droogvallen.
Standbeeld van Lely op de Afsluitdijk
De hoofdstad van de nieuwe provincie Flevoland wordt genoemd naar de ingenieur: Lelystad. Ook in Suriname bevindt zich een plaats die naar hem is vernoemd: Lelydorp. In de Wieringermeer staat het Lelygemaal. In Amsterdam is de Cornelis Lelylaan en station Amsterdam Lelylaan. Koningin Juliana onthult in 1954 een standbeeld van Lely op de afsluitdijk. Ook in Lelystad staan twee standbeelden van Lely.
Het scheepswrak dat in de zomer 2018 in een akker bij Rutten is opgegraven, blijft in de Noordoostpolder. Na goed overleg tussen de provincie Flevoland en de universiteit van Groningen werd Staatsbosbeheer de nieuwe eigenaar van een deel van het opgegraven hout. ‘Met dat hout brengen we nu de geschiedenis tot leven’.
Engels koopvaardijschip
De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) leidde de opgraving bij Rutten. De bodem gaf bijzondere schatten prijs: kanonnen, musketkogels, geweren en granaten. Maar ook gereedschappen, schoenen, meetinstrumenten en andere gebruiksvoorwerpen. De archeologen vermoeden dat het gaat om een Engels koopvaardijschip dat in de 18de eeuw op de Zuiderzee is vergaan. De onderzoekers gaven het schip de naam Queen Ann, door de vondst van tinnen lepels met het wapen van de Engelse koningin.
Zichtbaar verleden
De vondsten zijn veiliggesteld, Staatsbosbeheer kreeg een groot aantal spanten van ca 1,5 meter lengte. Op 20 september is gestart met het ingraven van de spanten in een deel van het natuurgebied Schoterveld bij Bant. De spanten steken circa 50 cm boven de grond uit, zodat de contouren van het voor de Zuiderzee uitzonderlijk grote schip goed zichtbaar zijn in het landschap. Op een boordplank wordt de naam Queen Ann aangebracht. Mocht de echte naam van het schip nog boven water komen, dan gaan ze dit uiteraard aanpassen. Staatsbosbeheer gaat ook een informatiepaneel plaatsen met het verhaal en de vondsten van de Queen Ann. Zo blijft het verleden van de Noordoostpolder levend én zichtbaar.
Zoektocht naar verdwenen kanonnen ‘Queen Anne’
Omroep Flevoland Maandag 6 juli 2020
Maritiem archeoloog Yftinus van Popta van de Rijksuniversiteit Groningen wil voor een tweede keer onderzoek doen in Rutten. In 2018 deed hij daar een opgraving naar het 18e eeuwse schip ‘Queen Anne’. Daar vond hij toen vier kanonnen. Maar de archeoloog vermoedt dat in de omgeving van de wraklocatie een groter kanon of mogelijk meerdere kanonnen liggen.
Aan boord van het wrak vond Van Popta honderden grote en kleine kogels. Een deel van deze kogels bleken te groot te zijn voor de kanonnen die aan boord waren gevonden. Van Popta denkt dan ook dat er zwaarder geschut op het schip aanwezig moet zijn geweest. Die kanonnen zijn waarschijnlijk overboord gegooid vlak voordat het schip vastliep in de ondiepe Zuiderzee.
Om het verdwenen kanon terug te vinden wil de maritiem archeoloog met ‘geofysische meetapparatuur’ vaststellen of die kanonnen in de omgeving van het wrak op het land van de boer liggen. Het raadsel van het kanon hoopt Van Popta in het najaar op te lossen. Want dan is het terrein braakliggend en werkt de meetapparatuur beter. Van Popta is met de gemeente Noordoostpolder in gesprek over de financiering.
Tentoonstelling Queen Anne In het museum van de Rijksuniversiteit Groningen is momenteel een expositie ingericht over het schip dat in Rutten is gevonden. Daar zijn onder meer de kogels te zien die in het schip zijn gevonden. De Rijksuniversiteit gaat de collectie ook digitaal tentoonstellen.
Urk en Schokland waren niet de enige eilanden in de Zuiderzee
Na vijf jaar onderzoek is nu bekend wat de locatie is van vier ‘verdwenen’ middeleeuwse nederzettingen in de Zuiderzee. Maritiem archeoloog Yftinus van Popta is op 29 oktober 2020 gepromoveerd op het onderzoek naar deze zogenoemde ‘verdronken dorpen’.
Urk en Schokland waren niet de enige eilanden in de Zuiderzee. In de middeleeuwen waren er nog vier nederzettingen. Lange tijd was onduidelijk waar deze eilanden precies hebben gelegen, maar Van Popta is erachter gekomen, na jarenlang onderzoek naar het noordoostelijke deel van het Zuiderzeegebied.
Alle archeologische vondsten die in Noordoostpolder zijn gevonden, zijn in kaart gebracht. Het gaat om botten, aardewerk, bakstenen en dakpannen. Naast Urk en Schokland zijn er nog vier andere plekken met een hoge dichtheid aan soortgelijke archeologische vondsten.
Lange tijd werd ervan uitgegaan dat de vondsten van schepen kwamen. Maar volgens Van Popta zijn het de locaties van de verdronken dorpen.
Uit bronnen uit de vroege middeleeuwen blijkt dat er vier nederzettingen in dat gebied hebben bestaan. Het zou gaan om de dorpen ‘Marcnesse, Nagele, Fenehuysen I en Fenehuysen II’.
Het gevonden aardewerk in de gebieden komt grotendeels uit de late middeleeuwen. Op luchtfoto’s en satellietbeelden is ook te zien dat in het huidige Kuinderbos lijnen zijn die door mensen moeten zijn gemaakt. In de vroege middeleeuwen was dit stuk van de Noordoostpolder een groot veengebied. Uit archeologisch onderzoek van Van Popta blijken dit sloten te zijn, die in de middeleeuwen zijn aangelegd. Bij deze sloten zou een van de nederzettingen van Fenehuysen horen.
Boeren en handelaren Uit het onderzoek blijkt dat de eerste bewoners al in de 10e en de 11e eeuw in het gebied woonden. De eerste bewoners begonnen met ontginnen en het land klaarmaken voor landbouw. Op verschillende plekken werden kleine nederzettingen gebouwd. De ene nederzetting bleek succesvoller dan de andere. Het Overijsselse Kampen is een van de nederzettingen die uitgroeide tot grote handelsplaats. Het eiland Nagele had minder geluk. Het lag op een kwetsbare plek voor stormen. Het dorp verdronk uiteindelijk in de Zuiderzee. Het huidige dorp Nagele is naar deze oude nederzetting vernoemd.De exacte locaties bepalen van de vier verdronken dorpen is lastig. De mogelijke resten in de grond zijn ernstig aangetast. Verder onderzoek in historische bronnen en oude kaarten moet het mogelijk maken om de verdronken dorpen nauwkeuriger aan te wijzen. Dan zou onderzoek op locatie zinvol kunnen zijn. Dan kan Van Popta beginnen met een zoektocht naar putten, kuilen en funderingen en andere resten van de dorpen.
Scheepswrakken snel verstopt
Tientallen meldingen van scheepswrakken waren kort na het drooggevallen van de polder opeens weer snel verdwenen. De landeigenaren (boeren) hadden geen zin in het gedoe van archeologen. De boeren en arbeiders verwijderde snel het wrak. Voor de archeologen was er al snel niets meer te vinden.
Dit is gebleken uit onderzoek van Yftinus van Popta.
Bron : Omroep Flevoland
Tientallen meldingen van scheepswrakken in de Noordoostpolder zijn kort na de vondst in de jaren ’40 plotseling spoorloos verdwenen.
Volgens maritiem archeoloog Yftinus van Popta hebben op deze meldingsplekken vaak wel scheepswrakken gelegen.
Volgens Van Popta hadden landeigenaren in die tijd veelal geen zin in allemaal gedoe van archeologen. Want archeologisch onderzoek vergt veel tijd en dat zou het klaarmaken van het land in de weg zitten. De gemaakte meldingen zijn later dan ook ingetrokken. Het wrak is vervolgens rigoureus door de eigenaren en arbeiders verwijderd. Archeologen vonden dus niks na een melding.
Deze zogenoemde ‘spookschepen’ hebben bestaan. Er zijn geen sporen meer van te vinden in de grond, maar wel in de boeken. Door de archeologische gegevens te koppelen aan krantenartikelen, verslagen en andere bronnen, heeft de maritiem archeoloog de identiteit van twee ‘spookschepen’ achterhaald. De wrakken zouden op een akker in Rutten hebben gelegen, maar waren dus bij aankomst van archeologen verdwenen.
De Drie Gebroeders Op een oude aantekening van een landarbeider vond Van Popta de naam en de gegevens van een gevonden scheepswrak. Het zou gaan om De Drie Gebroeders met aan boord een grote hoeveelheid grind. Uit onderzoek door Van Popta blijkt dat De Drie Gebroeders daadwerkelijk heeft bestaan en ook is gezonken voor de kust van Lemmer, het huidige Rutten. Dat gebeurde in 1909. Ook de omschrijving van de goederen die vervoerd zijn, komt overeen met de eerste melding die is gedaan na de vondst van het wrak.
Eerdere onderzoeken Archeoloog Yftinus van Popta heeft vaker onderzoek gedaan in Flevoland. In 2018 werkte hij aan de opgraving van het schip ‘Queen Anne’. Dit Engelse schip was in de 18e eeuw vergaan, op de plek waar nu Rutten ligt. In 2019 ontrafelde Van Popta het raadsel van een gevonden scheepswrak in Zeewolde. Het bleek te gaan om een tjalk die in 1893 zonk in de Zuiderzee
Ir. Pouderoyen had bij het tekenen van het centrumplein Emmeloord het San Marcoplein in Venetië voor ogen. Op de Leeuwenbrug (gebouwd in 1952) was een loggia gepland. Een overdekte zuilengalerij. In de bestrating van de leeuwenbrug zijn duidelijk de contouren zichtbaar. >>
Toch is de loggia nooit gebouwd. Ze zijn wel terug te vinden in de maquettes. Wellicht waren de door Amsterdam aangeboden Leeuwen een pleister op de wond.
Stadsrechten en andere bijzondere rechten (marktrecht – tolrecht – muntrecht en recht op stadsmuren) zijn natuurlijk iets van de late middeleeuwen. Globaal van 1200 tot eind 1600. Dus ‘no way’ dat Emmeloord zich een stad kan noemen.
Echter …. Emmeloord is de voortzetting van het oude Emmeloord (Emelwerth / Emeloirt) op Schokland. En dat Emmeloord was eigendom van Amsterdam. Uit documenten was gebleken dat de “heerlijkheid Emelwaerde” (Emmeloord), privilegiën genoot.
Dus kreeg Emmeloord LUDIEK stadsrechten, uitgereikt door de Commissaris van de Koningin van Noord Holland. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Noordoostpolder mogen zich sindsdien Schout en Schepenen van de Stad Emmeloord noemen.
Stadsrechten en Bijzondere Rechten: De Herintroductie van Stadsrechten in Emmeloord
Stadsrechten, evenals andere bijzondere rechten zoals marktrecht, tolrecht, muntrecht en het recht op stadsmuren, waren typisch voor de late middeleeuwen, van ongeveer 1200 tot het einde van de 16e eeuw. Deze rechten gaven steden aanzienlijke privileges en invloed. Een bijzonder moment in de geschiedenis van Emmeloord vond plaats op 10 september 1992, toen de commissaris van de Koningin, prof. dr. J.A. van Kemenade, symbolisch stadsrechten toekende aan de stad.
De Herstel van Stadsrechten in Emmeloord
Dit historische gebaar werd gedaan in opdracht van de Staten van Holland, waarbij de voormalige eilanden Schokland en Urk ook onder hun gezag vielen. Het werd mogelijk nadat documenten aantoonden dat de “heerlijkheid Emelwaerde” (het huidige Emmeloord) in het verleden al privileges had genoten.
Schokland als Historische Locatie
De ceremonie vond plaats op Schokland, een locatie die diep geworteld is in de geschiedenis van Flevoland. Tijdens dit evenement werd de Godin Fortuna aangesteld als beschermheilige van de stad. Deze keuze was symbolisch, aangezien een buste van Fortuna in de bodem van de regio, ten zuiden van Emmeloord, werd gevonden. Het was een bijzondere vondst die de band tussen de stad en haar geschiedenis verder versterkte.
Emmeloord: Stad van Fortuna
Sinds die tijd siert de beeltenis van Fortuna het gemeentehuis van Emmeloord. De stad mag zich officieel “Civitas Fortunae Emmeloordis” noemen, wat ‘Stad van Fortuna’ betekent. De toekenning van stadsrechten heeft een diepgaande betekenis voor de regio, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Noordoostpolder draagt sindsdien de titel “Schout en Schepenen van de Stad Emmeloord.”
Conclusie: Emmeloord’s Historische Erkenning
De toekenning van stadsrechten aan Emmeloord markeert een belangrijk moment in de geschiedenis van de regio. Het herstelt de oude privileges die de stad ooit bezat en benadrukt de rijke geschiedenis die de stad met zich meedraagt. Met de symbolische introductie van Fortuna als beschermheilige is de stad opnieuw verbonden met haar middeleeuwse wortels. Emmeloord is niet alleen een stad, maar een levende getuige van de geschiedenis van Nederland.
Dus….
Emmeloord, 10 september 1992. stadsrechten
In naam van de Staten van Holland als laatst rechthebbende van de heerlijke rechten over Urk en Emmeloord, zijn op 10 september 1992 door de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland, prof. dr. J.A. van Kemenade, stadsrechten toegekend aan Emmeloord. Als schutspatrones is aangesteld de godin Fortuna. Een buste van de godin is ooit gevonden in de bodem ten zuidwesten van Emmeloord en bevindt zich in Museum Schokland.
Haar beeltenis zal het gemeentehuis gaan sieren. Emmeloord mag zich voortaan Civitas Fortunae Emmeloordis noemen.
De oorkonde met de daarin vermelde privileges die bij de stadsrechten behoren is door de Noord-Hollandse commissaris uitgereikt aan burgemeester drs. M.A.J. Knip, die zich voortaan Schout van de Stad Emmeloord mag noemen, terwijl de wethouders van de gemeente Noordoostpolder aangesteld zijn als Schepenen van de Stad Emmeloord.
Het aanbieden van de rechten geschiedde in een ludiek getinte bijeenkomst van de provinciale besturen van Noord-Holland, Overijssel en Flevoland samen met het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder op het voormalige eiland Schokland.
De drie provinciebesturen hebben in de geschiedenis van Noordoostpolder een belangrijke rol gespeeld. In het grijze verleden is dat Noord-Holland geweest, omdat de heerlijkheden Urk en Emmeloord primair behoorden aan het graafschap Holland die het gezag overigens liet uitoefenen door leenmannen. Vijftig jaar geleden, op 9 september 1942, toen de Noordoostpolder officieel “droog” werd verklaard, werd het gebied tijdelijk ingedeeld bij de provincie Overijssel, terwijl de gemeente sinds 1986 deel uitmaakt van de toen nieuw ingestelde 12e provincie van Nederland, de provincie Flevoland.
In een informele sfeer hebben de drie provinciale besturen met het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder van gedachten gewisseld over het wel en wee van Noordoostpolder in de afgelopen vijftig jaar en de invloed van de drie provincies daarop.
Hieronder treft u aan de tekst van de toespraak van prof. dr. J.A. van Kemenade, Commissaris van de Koningin in Noord-Holland. De tekst van de oorkonde behorend bij de stadsrechten van Emmeloord
Toespraak
van de Commissaris van de Koningin, prof. dr. J.A. van Kemenade, ter gelegenheid van het vijftig jaar bestaan van de Noordoostpolder op 10 september 1992.
Dames en heren,
Negen september 1942 is een dag om nooit te vergeten…..
Met de drooglegging van de tweede Zuiderzeepolder werd een oppervlakte van 48.000 ha land op de zee heroverd. Vandaag herdenken wij met elkaar het feit dat het 50 jaar geleden is dat op deze wijze de Noordoostpolder is ontstaan.
Vanaf het prille begin is de aantrekkingskracht van de polder groot geweest. Waren het gedurende de eerste jaren van haar bestaan vele honderden onderduikers, die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de Noordoostpolder een dankbaar toevluchtsoord vonden; in de jaren van de wederopbouw waren het met name jonge boerengezinnen, die zich in groten getale in dit nieuwe gebied wilden komen vestigen. Tot 1962 was vrije vestiging hier echter niet toegestaan maar werden de landbouwers op kundigheid en ervaring geselecteerd!
Er is hard aan gewerkt om de zeebodem in korte tijd te herscheppen in bewoonbaar en vruchtbaar landbouwgebied en ook de sociaal-economische opbouw van de polder is voorspoedig verlopen. De naam van de ontwerper van de plannen – Min. Dr. Ir. C. Lely – mag in dit verband zeker niet onvermeld blijven.
Graag ga ik echter met u bij deze gelegenheid even verder terug in de tijd.
Het zal menigeen niet bekend zijn dat de voorgeschiedenis van dit jonge gebied zelfs rijkt tot in de prehistorie. In het gemeentelijk museum Schokland, de plaats van deze bijeenkomst die vernoemd is naar het voormalige eiland dat zich in deze omgeving in zee uitstrekte, treft u sporen aan van de vroegste bewoners van deze streek. U kunt daar archeologische en geologische vondsten bewonderen, die zelfs wijzen op bewoning in de oude steentijd; meer dan 10.000 jaar geleden!
Met een grote sprong in de tijd ga ik over naar de periode van de 12e tot de 19e eeuw op de eilanden Ens en Emmeloord, die slechts van elkaar gescheiden waren door een dijk en vanaf de 18e eeuw tezamen als het eiland Schokland werden aangeduid.
De historie van Schokland mag gerust bewogen genoemd worden. Voortdurend heeft de bevolking strijd geleverd met de elementen maar alle beveiligingsmaatregelen ten spijt bleek het eiland niet bestand tegen het geweld van de Zuiderzee. Meerdere keren liep het eiland zelfs geheel onder water; de echte Schokkers lieten zich echter niet zonder slag of stoot verdrijven. Totaal geïsoleerd van de bewoonde wereld en zó vergroeid met hun omgeving bleven de laatste pioniers hun eiland tot aan zijn ondergang trouw. Pas nadat de rijksregering Schokland in 1858 onbewoonbaar verklaard had, was men bereid dit steeds kleiner wordende lapje grond te ontruimen om zich op het vaste land te gaan vestigen.
Behalve de strijd, die met de elementen geleverd moest worden, trof de bevolking het in die dagen ook met het bestuurlijk gezag niet altijd even goed.
Primair behoorden de heerlijkheden Urk en Emmeloord aan het graafschap Holland maar het gezag werd uitgeoefend door leenmannen. Met de belening van deze heerlijkheden werd echter zó onzorgvuldig omgegaan dat men uit de overlevering de indruk krijgt dat de eilandbevolking veelal drie heren tegelijk heeft moeten dienen. Dit waren bovendien niet altijd heren van onbesproken gedrag!
In de Middeleeuwen blijken de graven en heren van Kuinre in deze streek een belangrijke rol gespeeld te hebben.
Behalve dat er regelmatig gestreden werd met de bestuurders van Friesland, leert de geschiedenis ons dat deze heren zich in de 14e eeuw berucht maakten als zeerovers terwijl zij in de 15e eeuw wel erg gretig gebruik maakten van hun bevoegdheid op het gebied der penningkunde. Zo plachten zij in zelf geslagen munten Engels, Vlaams en Brabants geld na te maken.
Ik hoop echter met u dat in de geschiedschrijving met name de pikante uitzonderingen op de dagelijkse praktijk terechtgekomen zijn en dat deze heren in het algemeen op correcte wijze omgingen met hun muntrecht zodat u trots kunt zijn en blijven op uw gemeentewapen, waarin onder meer dit muntrecht van de graven is opgenomen.
Het beheer van de eilanden bleek de particuliere heren maar weinig inkomsten op te leveren en het onderhoud van beide heerlijkheden liet dan ook veel te wensen over. Voor de koopstad Amsterdam waren de eilanden echter van groot belang voor haar scheepvaart en met name ging hierbij de belangstelling uit naar de vuurbaak op Urk.
Daarom kocht de stad Amsterdam in 1660 van de Staten van Holland de heerlijkheden van Urk en Emmeloord en een van de burgemeesters van de stad trad nadien namens de stedelijke regering op als leenman van de Staten.
Helaas bleken de lasten van dijkonderhoud e.d. op den duur ook voor de stad Amsterdam te hoog te zijn zodat de stadsregering zich in 1792 genoodzaakt zag de heerlijke rechten over Urk en Emmeloord weer terug te geven aan de Staten van Holland, die de eilanden vervolgens als domein lieten beheren door Gedeputeerde Staten.
De Staatsregeling van 1798 maakte in Nederland een einde aan het bestaan van de heerlijke rechten, die uitoefening van bestuursgezag inhielden, en van de steden en dorpen werden “gemeenten” gemaakt.
Zou dit niet zo zijn, dan zou ik als voorzitter van hierboven genoemd college anno 1992 vaststellen dat zowel de pionierszin als de voortvarendheid van de Emmeloordse bevolking en haar bestuur heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van hun gemeente van een agrarische gemeenschap tot handelscentrum en dynamische centrumplaats en ik zou dan ook graag bij deze feestelijke gelegenheid Emmeloord hiervoor hebben willen belonen door haar de heerlijke rechten weer over te dragen.
Al hoewel mij deze bevoegdheid formeel dus niet meer toekomt, is het mij toch een groot genoegen om u, burgemeester Knip, vandaag als het ware te vereren met het verlenen van stadsrechten over Emmeloord en ik ga thans over tot het voorlezen en uitreiken van de oorkonde, behorende bij het recht tot het voeren van de naam “Stad Emmeloord”.
OORKONDE
door de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland, prof. dr. J.A. van Kemenade, op 10 september 1992 aan Emmeloord aangeboden.
In naam van de Staten van Holland als laatst rechthebbende van de heerlijke rechten over Urk en Emmeloord, worden heden door mij stadsrechten toegekend aan Emmeloord.
Hiermee bevestig en erken ik haar bijzondere positie, waarmee zij zich duidelijk onderscheidt van de omliggende dorpen.
Het is dan ook niet meer dan vanzelfsprekend dat in Emmeloord niet langer genoegen genomen kan worden met toepassing van het gemene landrecht. Als zelfstandige stad verdient en verkrijgt Emmeloord de bevoegdheid tot uitoefening van een eigen rechtspraak en wetgeving, die meer in overeenstemming is met haar centrumfunctie in de Noordoostpolder.
Voorts is besloten de ten zuidwesten van Emmeloord in de bodem aangetroffen buste van godin Fortuna, die volgens de overlevering haar gezicht naar Emmeloord gewend heeft, als schutspatrones aan te stellen. Haar beeltenis zal het gemeentehuis sieren. Voortvloeiend uit voornoemde besluiten mag Emmeloord zich noemen: CIVITAS FORTUNAE EMMELOORDIS.
De eigen rechtspraak impliceert een aantal privileges ten behoeve van haar bestuurders en ingezetenen en uiteraard staan daar verplichtingen jegens mijn persoon tegenover.
Volgaarne stel ik thans de heer drs. M.A.J. Knip aan als schout en de wethouders van Noordoostpolder als schepenen van de stad Emmeloord en ik verklaar de navolgende dwingendrechtelijke regels van toepassing voor bestuurders en ingezetenen van de stad Emmeloord
Het is schout en schepenen toegestaan om elke vreemdeling, die zich binnen de stadspoorten van Emmeloord wil komen vestigen, grondig te testen op onvoorwaardelijke trouw jegens het gezag. Hiermee is het recht van vrije vestiging van 1962 vervallen verklaard. In ruil hiervoor verwacht ik dat u mij het entreegeld van 10 penningen voor iedere nieuwe poorter terstond zal voldoen. Het is schout en schepenen toegestaan even zo veel verordeningen in het leven te roepen als zij nodig achten voor handhaving der openbare orde zonder dat deze ter goedkeuring aan het hoger gezag onderworpen behoeven te worden. In ruil hiervoor verwacht ik dat iedere overtreder op het gebied van straatschenderij, messentrekkerij en andere uitingen van openbare baldadigheid wordt opgedragen werkzaamheden te komen verrichten in de tuinderijen rondom mijn ambtelijke huisvesting. Het is schout en schepenen toegestaan om zowel te water als te land alle goede luiden van Emmeloord vrij te stellen van tolheffing. In ruil hiervoor verwacht ik aan het einde van ieder jaar een gratificatie te bekomen van 30% van de geregelde inkomsten van de handeldrijvende burgerij. Het is schout en schepenen toegestaan om de Landelijke Fietsdag, die iedere tweede zaterdag in mei in Emmeloord van start gaat, te subsidiëren uit de openbare middelen. In ruil hiervoor verwacht ik dat de route telkenjare langs mijn privé woning geleid zal worden en dat iedere deelnemer mij vriendelijk zal toewuiven. Het is schout en schepenen toegestaan om tijdens de Nacht van Emmeloord op de derde vrijdag in juni eenieder die zich schuldig maakt aan openbare dronkenschap terstond in bewaring te nemen totdat de schuldenaar voor de vierschaar op het stadhuisplein geleid kan worden. In ruil hiervoor verwacht ik onmiddellijk na afloop van dit jaarlijkse festijn een dozijn flessen wijn van eerste kwaliteit te bekomen Het is schout en schepenen toegestaan de Nationale Kampioenschappen Mens erger je niet op iedere derde zaterdag in januari – zo de weersomstandigheden zulks toelaten – op natuurijs te laten plaatsvinden. In ruil hiervoor verwacht ik als beschermheer van deze eerbiedwaardige kampioenschappen met oorwarmers en bisschopswijn verwelkomd te worden. Het is schout en schepenen toegestaan om het aantal boerderijtuinkijkdagen naar believen uit te breiden. In ruil hiervoor verwacht ik in iedere veestapel van de Emmeloordse boerenerven minstens één naamgenoot te kunnen aantreffen Het is schout en schepenen toegestaan om tijdens de Emmeloordse vrijdagen in de zomermaanden extreem vrijpostig gedrag in de openbaarheid van jonge en oudere lieden te gedogen. In ruil hiervoor verwacht ik bij voortduring zowel direct als indirect vriendschappelijk bejegend te worden door al uw onderdanen. Het is schout en schepenen toegestaan om tijdens de kermisweken in voor- en najaar de sluitingstijd te verlengen tot het middernachtelijk uur. In ruil hiervoor verwacht ik persoonlijk de dagelijkse afsluiting te mogen verzorgen middels het ten gehore brengen van het schone Wilhelmus. Tenslotte is het schout en schepenen toegestaan om – in weerwil van de hedendaagse opvattingen aangaande machtenscheiding – al haar overige taken op het gebied van bestuur, wetgeving en rechtspraak naar eigen goeddunken te vervullen. In ruil hiervoor verwacht ik benoemd te worden tot ereburger van de stad Emmeloord.
Ten dage dat Emmeloord de tijd in Zürich aanstraalt, zullen bovengenoemde privileges in werking treden.
Haarlem, 10 september 1992
Een wereld vondst
In de jaren 50 wordt in een slootje nabij Urk een stenen vrouwenhoofdje gevonden. Archeologen kraaien van enthousiasme, dit lijkt een Romeins beeldje, waarschijnlijk is het Vrouwe Fortuna. Ze schatten tweede-eeuws en het vertoont onmiskenbaar sporen van een Romeinse nederzettingen in de buurt van Urk. We weten dat het Romeinse Rijk zich tot Nederland heeft uitgestrekt, maar dachten dat zij niet boven de Rijn geweest waren. Dit zet Urk wel even op de kaart. Het Fortunabeeld krijgt een passende sokkel en is jaren lang het pronkstuk van Museum Schokland.
Burgemeester Knip en de Commissaris van de Koningin Van Kemenade erbij. Een wereldvondst.
In de jaren ’90 begint de twijfel. Het beeld gaat voor onderzoek naar het Museum Nieuw Land in Lelystad. “Onmogelijk”, oordeelde een in de Romeinse periode afgestudeerde archeoloog. Hoogstens een 18e of 19e eeuws tuinbeeld.
In 2011 viel het kwartje.
Er melde zich iemand bij het Museum Lelystad. Deze Urker kende die kop. Hij had hem zelf begin jaren ’40 in een afwateringssloot bij Creil gevonden. Hij wilde de kop graag zelf houden en sjouwde zijn buit mee naar het vissersdorp. Maar die kop werd steeds zwaarder. Uiteindelijk gooide hij hem maar weer weg, in de buurt van Urk, waar hij in de jaren ’50 dus weer werd gevonden.
Met deze bekentenis ging het balletje rollen. Nabij Creil ? Dat is in de buurt van:
De Rotterdamse Hoek.
Het centrum van Rotterdam is op 14 mei 1940 door de Duitsers gebombardeerd. Dit puin is na de zomer met binnenvaartschepen afgevoerd naar onder andere de Noordoostpolder. daar is dit puin verwerkt in dijken, wegen en erf-verharding. Met name in het stuk dijk Urk – Lemmer nabij Creil is veel puin verwerkt. Deze hoek staat bekend als ‘De Rotterdamse Hoek’. De naam is bedacht door de polderwerkers zelf. ‘Dit zodat niemand ooit zou vergeten waar het puin vandaag kwam.’
Toen nog even door rechercheren.
En jawel hoor, de oorsprong achterhaald. Het beeld was een zogenaamde stedenmaagd en was ooit deel van de gevel van het oude stadhuis aan de Kaasmarkt.
In de jaren ’60 worden de hoofdwegen verbreed en krijgen een fietspad. De brug moet worden verbreed. De boeren leveren een strookje van het erf in. Als compensatie krijgen zij de ijzeren hoekprofielen uit de brug waarmee de afscheiding fietspad en tuin wordt gemarkeerd.
Banterweg
Enkele boerderijen hebben nog steeds deze witte hekjes langs het fietspad. Hier aan de Banterweg, maar ook aan de Marknesserweg, vlak voor Emmeloord, voor Autoverhuur Bultman, die van die blauwe busjes, voorheen garage Van Kerkhof. Het zijn de brugleuningen uit de oude brug over de Luttelgeestervaart in de Marknesseweg. Inmiddels is de boom gekapt. Jammer, al is het hekje mooi gespaard gebleven.
Wellicht zou het net zo’n publiekstrekker kunnen worden als ‘The Hungry tree’ in Dublin.