De Noordoostpolder

De eerste polder : Noordoostpolder

Omdat de Wieringermeer in de Zuiderzee was aangelegd, nog voor de Afsluitdijk werd gesloten, was de Noordoostpolder strikt genomen de eerste IJsselmeerpolder.

Foto: Rijkswaterstaat


De polder bewoonbaar maken: de ontginning

De polder viel droog in september 1942. Maar ‘droog is een groot woord. Drassig ! Deze nieuwe grond is nog lang niet voor bewoning en bebouwing geschikt. Bij een stevige regenbui kon het water nergens heen, waardoor er snel grote plassen ontstaan. Bovendien loopt er constant water door de dijken heen – het zogenaamde kwelwater. Onder zulke omstandigheden is het onmogelijk om te bouwen of gewassen zoals aardappelen te telen.

Wat was de oplossing? Draineren !
Dit geldt overigens niet alleen voor de Noordoostpolder. In een groot deel van Nederland wordt het land gedraineerd.

Om de lage, pas drooggevallen zeebodem bewoonbaar te maken, zijn er drie diepe hoofdvaarten gegraven:

Daarnaast zijn er zijvaarten aangelegd naar elk dorp. Vrijwel alle dorpen liggen direct aan een zijvaart. Deze waterwegen waren essentieel voor het transport van onder andere graan en suikerbieten

De grootste uitdaging: het volledig draineren van de polder

Toen begon de grootste uitdaging: het volledig draineren van de polder. De polder moest worden ontwaterd. Drainagebuizen werden op ongeveer één meter diepte in de grond gegraven. Deze poreuze buizen voeren het water af via greppels, sloten en tochten naar de hoofdvaarten. De hoofdvaarten transporteren het water vervolgens naar de gemalen, die het uit de polder pompen.

De maximale afstand waarover water via een drainagebuis kon worden afgevoerd, bedroeg 300 meter. (150 meter de ene kant en 150 meter de andere kant op.)
Daardoor is gekozen voor een kavelmaat van 300 meter breed. Met een standaardlengte van 800 meter hebben de kavels in de Noordoostpolder een afmeting van 300 bij 800 meter, oftewel 24 hectare. De afstand tussen twee parallelle polderwegen bedraagt hierdoor steeds 1600 meter.

De volledige polder is systematisch doorkruist met dit ondergrondse buizennetwerk, in totaal goed voor ongeveer 40.000 kilometer aan drainagebuizen.

Het werk vond plaats tijdens de oorlogsjaren, een tijd waarin er een groot tekort was aan machines en brandstof. Aan mankracht was echter geen gebrek, en ook de toewijding was groot. Veel mensen werkten met enthousiasme aan dit project, omdat ze daarmee vrijgesteld werden van arbeid in de Duitse oorlogsindustrie. Duizenden arbeiders werden ingezet voor het graven van sloten, tochten en drainage, maar ook voor het zaaien en oogsten.

Niet alle grond bleek geschikt.

Er waren gedeelten van de Noordoostpolder die toch ongeschikt bleken voor landbouw.
Het gebied nabij Kuinre bleek erg licht en zanderig.
En het gebied rond De Voorst (Kraggenburg) bestond uit veel te zware grond. Keileem.
Het probleem werd doeltreffend opgelost door daar bosbouw te realiseren.
Bos was toch nodig voor productiehout. En het was ook prettig voor de nieuwe polderbewoners om te recreëren.
Het Kuinderbos en het Voorsterbos.
Men had eigenlijk geen idee welk soort bomen het beste geplant kon worden op de zware keileem in de Voorst. Daarom heeft met daar diverse boomsoorten door elkaar geplant. Zowel naald- als loofbomen. Eikenbomen, beuken, essen, berken, sparren en dennen.
En raad eens …. ? Alles groeide als kool.
Dat is de reden waarom Natuurmonumenten, nu eigenaar van het Waterloopbos, zo blij is met de diversiteit van het Voorsterbos.

Ook rond Urk was de grond slecht geschikt voor landbouw.
Maar toen de nieuwsgierige pioniers de eerste stappen zetten op de voormalige zeebodem nabij Urk, vonden ze een gebied met veel zwerfstenen.
De stenen leken zo uit de ijstijd hierheen geduwd.
Snel een hek er omheen.
Het werd een bijzonder reservaat.


Wat was het plan ?

Het in cultuur brengen van de Noordoostpolder: een strak geregisseerd plan

Bij de inrichting zijn de volgende vier plannen leidend geweest:
1. Het Verkavelingsplan (definitief in 1942)
2. Het Uitgifteplan (1947)
3. Het Dorpenplan (1946)
4. Het Landschapsplan (1947)

Het in cultuur brengen van de Noordoostpolder verliep volgens zorgvuldig uitgezette plannen. Daarbij werd nadrukkelijk geleerd van eerdere fouten, zoals bij de drooglegging van de Haarlemmermeerpolder in 1852. Want zo moest het dus níet!

De Haarlemmermeer was door het Rijk drooggelegd, maar daarna volledig overgelaten aan de marktwerking. De grond werd verkocht aan particuliere eigenaren, vaak rijke kooplieden uit Amsterdam en Haarlem. Deze polder kreeg de bijnaam ‘klein Amerika’. Hoewel de verkoop van de grond 8 miljoen gulden opleverde, bedroegen de kosten van de droogmaking 14,5 miljoen. Het verschil werd in de jaren daarna aangevuld via een grondbelasting.

Zo’n scenario wilde de overheid in de Noordoostpolder koste wat kost vermijden. Daarom bleef de regie volledig in handen van de overheid en werd niets aan het toeval overgelaten.


Het dorpenplan

De basis werd gelegd met het dorpenplan. Aanvankelijk was er sprake van vijf, zes of zeven dorpen. Daarbij werd gebruikgemaakt van de ‘centrale plaatsentheorie’ van de Duitse geograaf Christaller. Uiteindelijk koos men voor de aanleg van tien dorpen.


Het verkavelingsplan

De maximale afstand waarover water via een drainagebuis kon worden afgevoerd, was 300 meter. Daarom werd gekozen voor kavels van 300 meter breed. Met een lengte van 800 meter hebben de standaardkavels in de Noordoostpolder een oppervlakte van 300 x 800 meter, oftewel 24 hectare. De afstand tussen twee parallelle polderwegen is daardoor steeds 1600 meter.


Het uitgifteplan

Vervolgens werd bepaald hoeveel landbouwbedrijven er gerealiseerd zouden worden. Het uiteindelijke aantal kwam uit op 1.577 bedrijven:

Verdeling naar grootte:


Het beplantingsplan

Niet alle grond bleek geschikt voor landbouw. Sommige delen waren minder vruchtbaar of te nat. Die gebieden werden benut voor bosbouw. Ook werd aandacht besteed aan de inrichting van erven en het aanplanten van windsingels.

De windsingels boden beschutting tegen de wind, maar hadden ook een esthetische en landschappelijke functie. Ze maakten deel uit van het Algemene Landschapsplan van 1947, opgesteld door stedenbouwkundige J.C. Pouderoyen en landschapsarchitect J.T.P. Bijhouwer. Samen met bomenrijen en struiken langs de polderwegen geven zij het gebied zijn karakteristieke uitstraling.


Het selectieplan

Tot slot voerde de overheid een streng selectieplan in voor de toelating van nieuwe bewoners. Alleen geschikte kandidaten kwamen in aanmerking om een bedrijf te beginnen in de Noordoostpolder. Het collectieve belang van de polder stond daarbij altijd boven dat van het individu.

In 1947 besloot minister van Financiën Piet Lieftinck,  een uitgifteplan vast te stellen. Dat jaar nog werden de eerste 103 landbouwbedrijven toegewezen. De Directie Wieringermeer koos ervoor de boerderijen zelf te bouwen, zodat zij volledige zeggenschap hield over zowel de inrichting als de selectie van toekomstige pachters.

Voor deze eerste ronde golden strenge toelatingseisen.

Van de vele duizenden jonge mannen die tijdens de oorlog in de polder hadden gewerkt, bleken uiteindelijk ongeveer 750 te voldoen aan alle eisen. Ongeveer de helft van hen waagde de stap en solliciteerde naar een van de schaarse 103 boerderijen.

Controle ambtenaar thuis

Controleurs van de Directie trokken het hele land door en stonden onverwacht bij kandidaten op de stoep om te kijken naar hun achtergrond en manier van leven. Dat gold niet alleen voor boeren, maar ook voor mensen met heel andere beroepen, zoals een leraar of een kantoorklerk.
En ook bij een tweede of derde uitgifte werd strak geregisseerd.

Ze letten niet alleen op vakkennis. Ook de kleinste dingen werden genoteerd: een vrouw die een sigaret rookte, een rommelig schuurtje of voortuintje, een keuken die niet netjes was opgeruimd, of kinderen die er onverzorgd bij liepen. Zelfs de linnenkast werd bekeken; de lakens moesten keurig op stapeltjes liggen.

Ik blijf het ongelooflijk vinden dat mijn ouders deze keuring wisten te doorstaan. Mijn moeder had niet eens door wat de man precies kwam doen. Toch kreeg mijn vader toestemming om zich als aannemer in de Noordoostpolder (Kraggenburg) te mogen vestigen.


De eerste gewassen

De eerste gewassen in de polder waren de gewassen die diep wortelen.  Dit zou de grond geschikt maken voor de latere akkerbouw zoals we die nu kennen.
Oud-medewerkers van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders over het eerste gewas dat op de modder groeide: riet. Het werd gezaaid vanuit de lucht, en als het zijn werk had gedaan, ging de brand erin. Door de diepe worteling en ook groei van het riet werd er veel water opgenomen en al met al zorgde dat voor vastigheid en structuur in de bodem.
Het werd gezaaid vanuit de lucht, en als het zijn werk had gedaan, ging de brand erin.

En later: koolzaad, tarwe, vlas en luzerne

Luzerne is een gewas dat je zaait en laat staan. Net als gras. Je kan het dan naar twee jaar, net als gras afmaaien en het groeit gewoon opnieuw.
De luzerne werd gedroogd in een drogerij en was geschikt als krachtvoer voor de koeien.



Later meer ……

Home » Noordoostpolder

Het is vandaag 08.08.2026