Schaapskooi

foto: Schaapskooi aan de Rotterdamse Hoek, oktober 1959 (Fotocollectie Gemeente. Noordoostpolder).
Schaapsbedrijven langs de polderdijken
Toen de nieuwe polder werd ingericht, ging de aandacht niet alleen uit naar de boerderijen en dorpen. Ook de kilometerslange dijken vroegen voortdurend zorg. De grasmat op de dijk was daarbij van groot belang. Een dijk was immers niet klaar zodra hij was aangelegd: de bekleding moest sterk en gesloten blijven om de kleilaag tegen wind en water te beschermen.
Al snel werd duidelijk dat schapen daarvoor uitstekende ‘onderhouders’ waren. Door hun begrazing bleef het gras kort en ontstond een dichte, stevige grasmat. Bovendien konden schapen plaatsen bereiken waar machines moeilijk konden komen. Het beweiden van de dijken werd daarom een vast onderdeel van het beheer.
Om dit werk goed te organiseren, werden langs de dijken van de nieuwe polder vijf schaapsbedrijven gesticht. De bedrijven bestonden uit een schaapskooi met een bijbehorende woning. De schapenhouder woonde dus letterlijk bij zijn kudde en was nauw verbonden met het gebied dat hij moest onderhouden. Waar de meeste pioniers hun bestaan opbouwden op een landbouwbedrijf, vonden deze schapenhouders hun werkterrein vooral op de dijkhellingen.
Het leven van een schapenhouder was sterk verbonden met het ritme van de kudde en de seizoenen. Iedere dag moest er worden gekeken naar de conditie van de dieren, terwijl de kudde regelmatig over een ander deel van de dijk werd geleid. In het voorjaar brak een drukke periode aan met het lammeren. Later in het jaar volgden onder meer het scheren van de schapen en het voorbereiden van de dieren en de kooi op de winter.
De schaapskooi was daarbij het hart van het bedrijf. Hier konden de dieren worden verzorgd en beschut en hier vonden de schapenhouders hun werk en opslagruimte. De woning stond er direct naast. Daardoor vormden huis en kooi samen een karakteristiek onderdeel van het landschap langs de polderdijk.
Het werk was niet alleen agrarisch, maar had ook een duidelijke waterstaatkundige betekenis. De dijk was de grens tussen het nieuwe land en het water en moest onder alle omstandigheden betrouwbaar blijven. De schapen hielpen daar letterlijk aan mee. Hun begrazing hield de grasmat kort en dicht, terwijl hun hoeven de zode licht aandrukten.
Onder het gras lag een zorgvuldig opgebouwde dijk. De kern bestond uit zand, afgedekt met klei en aan de buitenzijde beschermd door steenbekleding. De wortels van het gras vormden in de kleilaag een fijn netwerk dat de grond bijeenhield en bescherming bood tegen erosie. Een gezonde grasmat was daarmee geen versiering van de dijk, maar een essentieel onderdeel van de waterkering.
Ook de afvoer van kwelwater kreeg bij de aanleg aandacht. Omdat water relatief gemakkelijk door de zandige dijkkern kan trekken, werd tussen de dijk en de kwelsloot een drainagesysteem aangelegd. De strook langs de dijk bleef daardoor bovendien bruikbaar voor de schapen en voor het onderhoudspersoneel en hun materieel.
De vijf schaapsbedrijven waren daarmee een bijzonder onderdeel van de jonge polder. Ze stonden op het snijvlak van landbouw, waterstaat en dagelijks leven. De schapen leverden niet alleen wol en lammeren, maar vervulden ook een belangrijke taak in het beheer van de dijken. De schapenhouder was daardoor niet zomaar een boer langs de dijk: hij was mede verantwoordelijk voor het in stand houden van een van de belangrijkste onderdelen van de nieuwe polder.


Anekdote:
Op de plek waar in 1949 de grootvader van Liset met zijn schaapskudde de eerste voet op de dijk zette, raast nu het verkeer hoog over de Noordoostpolder in en uit. Het koperkleurige lichtwerk onder het viaduct herinnert aan de grazende schapen op de dijk.
De Zeeuwse schaapherder deed er bijna twee dagen over om met zijn kudde per trein vanaf Goes naar Kampen te reizen. De laatste 12 kilometer naar Ramspol deden ze te voet. Bij de Ramspol aangekomen deed de brugwachter snel de brug omhoog. Hij had namelijk van hogerhand de instructie gekregen om geen schaapskuddes in de polder toe te laten. Schaapherder Moerdijk liet hem in plat Zeeuws weten wat hij daar van vond: hij kwam op uitnodiging van diezelfde hogere hand. En belangrijker nog: hij kwam niet voor de polder. Hij kwam voor d’n Diek!
Liset Moerdijk, kleindochter van de schaapherder, maakt nu samen met partner Rutger Bergboer onder de naam Prins te Paard locatietheater vanuit de oude schaapskooi aan de dijk. In hun werk zijn de verhalen van het landschap altijd het uitgangspunt.
Liset Moerdijk – www.prins-te-paard.nl – lichtroutenoordoostpolder.nl
Leeuwarder courant : 31-10-1959

Jelle Vellema van Hantumhuizen werd herder in Noordoostpolder Rond 250 schapen houden de polderdijk dicht en kort
(automatische tekstherkenning)
Voor het gewei van velen is met de (meeste) heide ook de herder V met zijn kudde schapen verdwenen. Hij komt alleen nog maar voor als folkloristische trekpleister voor de toeristen en dan leeft hij verder nog voort op ontelbare zoetelijk romantische „schilderijen”. In deze gestroomlijnde wereld heeft de herder afgedaan …. behalve in het gestroomlijnde nieuwe land, dat Noordoostpolder heet. Daar wonen niet minder dan vijf herders. Mannen van deze tijd, die de dagen bij de kudde niet lopen te korten met breien.
Bij zulke herders past ook niet de schaapskooi van voorheen; die zou trouwens in dit door mensenhand precies ingedeelde land ook niet passen. Toch staan er vijf schaapskooien in de polder. Gloednieuw, de afwerking is nog niet eens helemaal voltooid. Wie zegt, dat het boerenschuren zijn, heeft gelijk, maar deze schuren doen dienst als schaapskooi. Ze staan achter de dijk, die tussen Lemmer en Urk de polder omsluit
Jelle Vellema, die tot voor anderhalf jaar in Hantumhuizen woonde, is een van de herders. Voorheen heeft hij zich nooit veel met schapen bemoeid, maar in de wijde wereld onder Creil past hij nu op ’n 250 woldragers van de heren Tilma (Sneek) en Van Kuiken (Ternaard), die de kooi hebben gehuurd. In de polder is men erg „wijs” met de schapen, omdat zij er voor zorgen, dat de dük ’n vaste zode krijgt en verder het gras keurig kort houden. Nu was dat in deze droge zomer niet zon toer. Er groeide praktisch niets en daarom zijn de 150 hokkelingen, die de polderboeren op de ijk hadden uitbesteed ook al eerder dan andere jaren naar hun eigen baas teruggekeerd. Vijf en twintig zijn er gebleven. Hun dient in de wintermaanden de kooi tot stal, want de schapen maken er alleen maar in het voorjaar gebruik van. Dan is de kooi kraamkamer en de herder is in die tijd praktisch dag en nacht in het geweer.
Elke dag inspecteert herder Vellema met zijn bouvier „Frieda” de schapen, die hun kostje lopen te zoeken op zeven kilometer dijk of op een van de drie kavels land, die bij de kooi horen. De herder heeft schik in zün werk en zün vrouw in haar moderne woning. Nog elke dag is ze blij met deze landarbeiderswoning in het blokje van drie met zijn boiler, douche enz. Bij de kooi mocht ook een huis worden gebouwd, maar mevrouw Vellema bleef liever aan de weg wonen, want daar is enige bebouwing en de mens moet toch ook iets gemeenschap hebben. Daarvan profiteert ook de driejarige Geertje, die zich al net zo vlot in het Drents of Gelders — dat zijn de naaste buren — kan uitdrukken als in ’t Fries, de voertaal van het gezin.
De wereld bij de dijk, halverwege Lemmer en Urk is erg wijd, maar de Veilema’s zijn het vrije veld wel gewoon. En alleen zijn zij bijna nooit, vooral niet in het visseizoen. De anderhalve kilometer dijk, bij de Rotterdamse Hoek, waarop mag worden gevist, ligt namelijk vlak bij de kooi. Er staan geregeld tientallen auto’s. Dat geeft het nodige vertier en vaak ook papier, want het is bar en boos wat de mensen in het vrije veld vaak laten slingeren. Voor de Vellema’s is dat de enige ergernis in het nieuwe land.