Boerderijen voor een nieuw bestaan

Toen de Noordoostpolder na de oorlog langzaam werd ingericht, stonden de toekomstige boeren voor een bijzondere opgave. Zij kregen niet alleen een stuk nieuwe landbouwgrond toegewezen, maar moesten daar ook een compleet bedrijf opbouwen. Een woning, een stal, een schuur en alle voorzieningen die nodig waren om een boerenbedrijf te beginnen. Dat bleek in de eerste naoorlogse jaren bepaald niet eenvoudig.

De uitgifte van de eerste boerderijen liet dan ook tot 1947 op zich wachten. Niet het tempo van de ontginning, maar vooral de naoorlogse schaarste aan bouwmaterialen en woningen vormde de grootste hindernis. Toch moest de nieuwe polder verder worden opgebouwd.

De eerste 62 boerderijen sloten aan bij de bouwtraditie die al in de Wieringermeer was ontwikkeld. Het waren zogenoemde S6- en Q7-boerderijen: grote, degelijk gemetselde cultuurboerderijen die de pioniers een solide basis moesten bieden voor hun nieuwe bestaan. Maar zolang er onvoldoende materialen beschikbaar waren, moesten de bouwers creatief zijn.


De eerste boeren

Lijst van Pachters

Een krantenknipsel uit 1951. Meer dan 75 jaar geleden. Toch nog zoveel herkenbare namen.

Zo verschenen er Oostenrijkse noodwoningen in de polder. In totaal werden er 75 geplaatst. Ook voor de bedrijfsgebouwen werd naar ongebruikelijke oplossingen gezocht. Barakken uit een voormalig Belgisch krijgsgevangenkamp kregen een tweede leven als schuur. Een ander plan – de aankoop van Nissenhutten uit Engeland – strandde omdat Nederland na de oorlog nauwelijks over de benodigde buitenlandse valuta beschikte.


Juist deze schaarste gaf een impuls aan een ontwikkeling die later kenmerkend zou worden voor de Noordoostpolder: het bouwen met prefab elementen. Het bedrijf Schokbeton uit Zwijndrecht had al ervaring opgedaan in de Wieringermeer en ging samen met het ministerie op zoek naar een snelle en betaalbare manier om nieuwe schuren te bouwen. Het resultaat waren betonnen elementen die vooraf in de fabriek werden gemaakt en op de boerderij alleen nog hoefden te worden gemonteerd.


De nieuwe bouwmethode bleek bijzonder geschikt voor de jonge polder. Dankzij de Marshallhulp kon de productie verder worden uitgebreid. In één jaar tijd verrezen honderd prefab schuren. Ze waren niet alleen ongeveer vijf procent goedkoper dan traditioneel gebouwde schuren, maar vooral veel sneller klaar. Waar een traditionele schuur ongeveer drie maanden bouwtijd vroeg, kon een prefab schuur in zo’n drie weken worden opgebouwd.

Vanaf een bedrijfsoppervlakte van 24 hectare werd de prefabschuur daarom de gebruikelijke keuze. Voor kleinere bedrijven lag dat anders. Daar was een gemetselde langgevelboerderij, naar Brabants voorbeeld, vaak voordeliger. Omdat veel nieuwe boeren afkomstig waren uit Zeeland, en met name van Walcheren, raakte voor dit type boerderij ook de naam ‘Zeeuwse boerderij’ in gebruik.


Zo ontstond in de Noordoostpolder een bijzonder boerderijlandschap. Sommige bedrijven verwezen met hun bakstenen gevels en traditionele vormen naar de eeuwenoude Nederlandse boerderijbouw. Andere waren juist een zichtbaar product van de naoorlogse vernieuwingsdrang, met prefab beton als symbool van een nieuwe tijd.

Achter al die verschillende boerderijen zat bovendien een stukje industriële geschiedenis. De houten spanten voor de bedrijven werden geleverd door NeMaHo uit Doetinchem. De boerderijen waren daarmee meer dan alleen woningen en bedrijfsgebouwen: ze vormden de tastbare eerste stap naar een nieuw bestaan op land dat nog maar kort daarvoor Zuiderzee was geweest.


Het is vandaag 09.09.2026
When they go low, we go high !