Het Waterloopbos
Onderdeel van het Voorsterbos
Allereerst:
Waarom kwam hier eigenlijk een bos ?
De polder kwam er toch voor de landbouw?
Toen de Noordoostpolder in 1942 droogviel, werd al snel duidelijk dat niet alle grond geschikt was voor landbouw. Bij Kuinre was de bodem te licht en te zanderig. Landbouwbedrijven waren hier nauwelijks rendabel te exploiteren.
Rond Kraggenburg en Kadoelen was juist het tegenovergestelde aan de hand: daar lag zware keileem in de ondergrond, eveneens weinig geschikt voor de landbouw.
De oplossing was simpel. Daar maken we gewoon BOS !
Een productiebos voor hout, en bovendien was zo’n bos geschikt voor recreatie voor de nieuwe polderbewoners.
Zo ontstond het idee om bij Kraggenburg een groot bos aan te leggen: het latere Voorsterbos.

Men had geen idee welke boom op de zware keileembodem wilde groeien. Dus plantte men alle soorten bomen. Naaldbomen en loofbomen. Circa vijftig soorten bomen en heesters. Van de eik, es, beuk, plataan tot de spar, den en lariks.
En raad eens…… alles groeit als kool !
Er ontstond zo een bijzonder gevarieerd bos. Een grote reden waarom Natuurmonumenten nu zo blij is met dat bos. Diversiteit is een toverwoord in de natuur.

Waarom kwam dat laboratorium hier?
Het Waterloopkundig Laboratorium uit Delft zocht na de oorlog naar een geschikte locatie voor waterloopkundige experimenten. De Noordoostpolder bleek daarvoor verrassend veel voordelen te hebben.
Beschutting door het bos
De proefopstellingen konden midden in het bos worden aangelegd. De bomen boden beschutting tegen de wind. Dat was belangrijk bij experimenten met water: minder wind betekende minder rimpeling en verstoring van het wateroppervlak en daardoor betrouwbaardere metingen.
De zware bodem
Die keileembodem bleek juist een voordeel. Keileem laat maar weinig water door. Daardoor bleef het aangevoerde water in de proefopstellingen staan.
Op een zandige bodem zou het water snel in de ondergrond verdwijnen. Daar zou een kunstmatige, waterdichte bodem nodig zijn geweest. Op de keileem was dat veel minder een probleem.
Een warm welkom
De komst van het laboratorium werd bovendien door de lokale overheid met enthousiasme ontvangen. In de jonge polder draaide veel om landbouw, maar een onderzoeksinstituut bracht ook een heel andere vorm van kennis en bedrijvigheid naar de nieuwe gemeenschap.
Ook eens wat academische wijsheid tussen al die boeren wijsheid 🙂
En dat was niet het enige voordeel. Voor het laboratorium was in de Noordoostpolder ook voldoende personeel te vinden. Het gebied bood daarmee niet alleen een geschikte locatie, maar ook mogelijkheden om het onderzoeksteam op te bouwen.
Het belangrijkste voordeel: water
De grootste reden om voor de polder te kiezenn : De NOP ligt onder NAP.
Je hoeft dus alleen maar een gaatje in de dijk te prikken. Het water stroomt dan vanzelf binnen. Dat water leid je naar de proefopstellingen. Pompen zijn niet nodig. En het loopt door die keileem ook niet meteen weg.
En na de proefopstelling laat je het water weer afvoeren door de sloten die er toch al lagen. De sloten voor drainage die ooit door de pioniers waren gegraven. Die sloten voeren het water weer af naar de Zwolse Vaart en wordt door het gemaal weer de polder uit gepompt.

Een gecontroleerde waterstroom

Een gaatje in de dijk prikken’, ligt natuurlijk iets geavanceerder. Er werd een zorgvuldig ontworpen en gecontroleerde waterinlaat aangelegd.
Via deze inlaat kon het laboratorium beschikken over een vrijwel permanente aanvoer van water. De combinatie van de lage ligging van de polder, de keileembodem, het slotenstelsel en de regelbare waterinlaat maakte het mogelijk om het hele jaar door met stromend water te experimenteren.
Dat systeem vormt nog altijd een belangrijk onderdeel van het gebied. De voortdurende waterstroming heeft bovendien een onverwacht neveneffect: ze maakt het gebied aantrekkelijk voor bijzondere vogelsoorten die van stromend water houden, zoals de ijsvogel en de waterspreeuw.
Zo kwamen in het Voorsterbos verschillende functies bij elkaar. Wat ooit begon als een oplossing voor landbouwgrond die niet geschikt was voor boeren, werd een bos, een recreatiegebied én een internationaal bekend terrein voor waterloopkundig onderzoek.
Water aanvoeren – afvoeren.
Het afvoeren was niet zo moeilijk. Er lagen al afwateringssloten (blauw) voor de drainage door de hele polder, dus ook in dit bos. Om de 300 meter was een sloot die uitmondde in de Zwolsevaart. (zie pagina Noordoostpolder)
Het enige wat het Waterlab moest realiseren, waren aanvoersloten. (rood)
Het verschil in het bos is duidelijk zichtbaar.
De aanvoersloten (rood) liggen hoog, iets boven het maaiveld,
de afvoersloten (blauw) liggen laag onder het maaiveld.

Conclusie
Eén keer een gaatje prikken in de dijk. Het water stroomt vanzelf binnen en geleid je langs je proefopstellingen.
Daarna laat het het afvoeren door de sloten die er al lagen en uitkomen op de Zwolse vaart.
Het gemaal pompt het weer de polder uit.
Eenmaal een gaatje prikken, twenty-four/seven stromend water, hoef je niets meer aan te doen. Loopt trouwens nog steeds!
Het Waterloopkundig Laboratorium
Delft
In 1927 maakte professor J.Th. Thijsse (1893-1984) een bescheiden begin met de inrichting van een waterbouwkundig laboratorium in de kelder van het gebouw voor Weg- en waterbouwkunde van de Technische Hogeschool (TH) Delft.
Noordoostpolder
Van 1951 tot 1996 was er een tweede vestiging onder de naam Waterloopkundig Laboratorium “De Voorst” (WLV)
Er was hier ruimte om grote schaalmodellen van zeearmen en havens aan te leggen om daarmee de invloed van waterbouwkundige werken op de loop van het water te kunnen voorspellen.
Vooral gedurende de periode van de planning en aanleg van de Deltawerken in Zeeland vervulden de watermodellen een belangrijke rol.

Vanaf de jaren 1980 deed de computer zijn intrede. In verband hiermee besloot het WL in 1995 de activiteiten in Delft te concentreren en de vestiging in de Noordoostpolder te sluiten.
Het overbodige geworden terrein wordt verkocht aan een projectontwikkelaar. Die wil in het Waterloopbos en omgeving 1000 vakantiewoningen plaatsen.
Omwonende en diverse natuurorganisaties komen in opstand en weten in een jarenlange procedure te voorkomen dat de projectontwikkelaar een groot deel van het waterloopbos kapt en er 1000 woningen neerzet.
Het Waterloopbos wordt eind 2002 gekocht door Natuurmonumenten die er door een gift van de nationale postcodeloterij een prachtig toegankelijk bos van maakt.
Natuurmonumenten houdt zich met dit bos twee opdrachten voor:
- Het bijzondere en diverse bos met zijn ‘open plekken’ onderhouden en toegankelijk houden.
- Het cultureel erfgoed van het Waterlab beleefbaar houden voor publiek